irrt, wirrt 2011

de Belgisch Nederlandsche Repertoirevereeniging De Veere presenteert als afsluiting van het seizoen

Dertien Rijen aflevering zes, getiteld IRRT, WIRRT, 24 mei - 4 juni Frascati 3 21.00 uur

een touw dat in de war is geraakt, heeft zich niet noodzakelijkerwijs vergist
toekomstig klassiek repertoire met dank aan Theodor Fontane

1: je hand - dank. die plas. kwam er bijna niet langs.
2: bang?
1: denk altijd dat ik er doorheen val als ik zo’n gat zie.

Nieuw (collectief) geschreven toneelstuk naar autobiografische situaties, met gebruik van oude zinnen en handelingen, over een meisje dat in de stad terechtkomt, daar leeft, niet thuishoort, en misschien terugkeert. over een dichter die gedoemd is te schrijven, voor zichzelf. over een voorhoede met trommels en vaandels (die als eerste wordt neergemaaid). over een man die er van de zijkant uitziet als een goudreinet en op het koffieblad slaat als er gedanst wordt. over een bromvlieg die het ene raam uitgejaagd wordt en door het andere raam weer binnenvliegt.

Kouwenhoven, Driessen, de Wijs, Lamers, Heijdenrijk, Bosch, Nieuwerf, de Koning, Teeuwen, Prein, van den Berg en anderen

Een schuurtje met vuurwerk gaat in de fik. Een vergissing. In het weiland ligt een waterslang. De man wil blussen. Hij begint bij het uiteinde van de slang. toevallig. Hij probeert in het gras de slang terug te volgen naar het begin. Naar de kraan. De slang slingert en kronkelt. De man slingert en kronkelt. Het vuurwerk gaat de lucht in. Slinger slinger. De man is terug bij het begin. In z’n hand houdt hij het uiteinde van de slang. (opnieuw)

En nu was het de volgende ochtend en de zomerzon scheen fel in Botho’s kamer. Beide ramen stonden open, en in de kastanjes buiten tjilpten de mussen. Botho zelf lag, uit een pijp van meerschuim rokend, achterover in zijn schommelstoel en sloeg af en toe met een naast hem liggende zakdoek naar een grote bromvlieg die, als hij het ene raam uit was, terstond weer door het andere verscheen om hardnekkig en onverbiddelijk om Botho heen te zoemen. “Was ik maar van dat akelige beest af! Ik zou ‘t willen pijnigen en martelen. Die bromvliegen zijn allemaal ongeluksboden en zo verrekte opdringerig, als hadden ze schik in de narigheid, waarvan ze de heraut en verkondiger zijn.” Op dat ogenblik sloeg hij er weer naar. “Weer weg. Het helpt niets. Dus dan maar berusten. Berusten is eigenlijk altijd het beste. De Turken zijn de verstandigste mensen.” (uit Irrungen, Wirrungen van Theodor Fontane, vert. Theodor Duquesnoy)